Martin Houben heeft een onderneming met vier varkensbedrijven in de gemeenten Venray en Horst aan de Maas. Elk bedrijf is gesloten. Dat betekent dat er een afdeling is met zeugen en biggen en dat de biggen doorgaan naar de vleesvarkenstak van het bedrijf. Martin nam het bedrijf over van zijn ouders die een gemengd bedrijf hadden met kippen, varkens, akkerbouw en fruitteelt. In de jaren ’80 specialiseerde het bedrijf zich steeds meer in de varkenshouderij. Zijn vader startte al met kringloopboeren, toen die term eigenlijk nog niet eens bestond. “De varkens kregen gewoon te eten wat er binnen over was”, vertelt Martin.

Hoe minder je weggooit, hoe beter het is voor milieu en economie

Martin Houben

Martin Houben besteedt veel aandacht aan de kringloop op zijn bedrijf. “Het varken is het ultieme kringloopdier omdat het spijsverteringskanaal heel erg lijkt op dat van de mens. Het kan dus ook producten verteren met zout, waar bijvoorbeeld een kip veel meer moeite mee heeft. Bovendien houdt een varken heel erg van eten. Het eet het liefst de hele dag.”  De varkens van Martin krijgen hoofdzakelijk restproducten te eten. Hun rantsoen bestaat voor ongeveer 25% uit producten uit de akkerbouw (granen en mais bijvoorbeeld), 65 % restproducten uit de levensmiddelenindustrie (chips, koekjes, friet) en 10% restproducten van menselijk voedsel. “Mijn dieren krijgen elke dag friet, gebak en bier”, lacht Martin.

Restproducten voor varkens en biogas

Er gelden strenge normen over wat dieren mogen eten en wat niet. Martin bepaalt, op basis van wat er wordt aangeboden bij de levensmiddelenindustrie en graanhandel, het rantsoen voor de varkens. Het bedrijf heeft een eigen kok die de maaltijden voor de varkens bereidt. De varkens van Martin krijgen vloeibaar voedsel; brijvoer. Het transport van dit type voer is duurder dan van droge brokken, maar het maken van droge brokken en het vervolgens op het varkensbedrijf weer nat maken is nog duurder. Dit is ook goed voor het milieu omdat drogen veel meer energie kost dan transport.

Stroom opwekken met varkensmest en worst

Tien tot 15 jaar geleden werden steeds meer boeren steeds duurzamer, maar Martin had als sinds 2006 een biogasinstallatie. Hierin wordt met de gassen uit varkensmest stroom opgewekt. In deze installatie worden ook producten gedaan uit de levensmiddelenindustrie en uit supermarkten. Producten die niet goed genoeg zijn voor de varkens worden hiervoor gebruikt. Ook producten die varkens niet mogen eten, zoals bijvoorbeeld vlees. Salami’s en worsten die niet meer verkocht mogen worden, kunnen nog prima in de vergister. “Hoe minder je weggooit, hoe beter het is voor de economie”, vertelt Martin.

De kringloop rond

Met zijn vergistingsinstallatie wekt Martin 10 miljoen kilowatt aan stroom op. En de zonnepanelen op het dak produceren samen ook nog eens 500.000 kilowatt. Dit heeft het bedrijf niet allemaal zelf nodig. Hij produceert 5 keer meer stroom dan wat hij nodig heeft en kan zo ook nog 3000 huishoudens van stroom voorzien. Daarnaast kunnen automobilisten hun auto opladen bij een tankstation in Venray met stroom van het varkensbedrijf. De warmte uit de vergistingsinstallatie wordt weer gebruikt om de stallen en het voer voor de varkens te verwarmen. Nadat er uit de mest stroom en warmte is gewonnen wordt het weer gebruikt om het land om de mais, aardappelen en tarwe te laten groeien die de varkens eten. En zo is de kringloop rond.

Lagere uitstoot van broeikasgassen

Doordat het bedrijf mest in warmte en stroom omzet komen er minder broeikasgassen in de lucht. De carbon footprint van het bedrijf is daarom zo’n 50% lager dan van een bedrijf met uitloop. Martin is daarom voorstander van het binnen houden van de dieren. Dan zijn zoveel mogelijk emissies af te vangen. Het vlees van een deel van de varkens heeft een Beter Leven-keurmerk en wordt o.a. verkocht via de supermarktketen Jan Linders. Ondanks de duurzame manier van werken is er geen hogere prijs in de supermarkt voor dit vlees, maar daar is het Martin ook niet om te doen. “Ik vind het ook een uitdaging om de kringloop te sluiten en ik bespaar vooral aan de kostenkant.”